In de VS, Canada, Groot-Brittannië en Australië zijn face-fittesten verplicht, in Nederland tot nu toe alleen voor de asbestbranche. In andere branches worden ze wel steeds meer de regel vanwege hun opname in de arbocatalogi.
Tijdens een face-fittest wordt gecontroleerd of een masker goed aansluit op het gezicht van de gebruiker. Hans van Moolenbroek is arbeidshygiënist en hoger veiligheidskundige en daarnaast lid van de werkgroep Adembescherming van de NVvA (Nederlandse Vereniging voor Arbeidshygiëne). De werkgroep adviseert om 1 keer per jaar de face-fittest uit te voeren op alle typen afhankelijke (dus gefilterde) adembeschermingsmiddelen (ABM) die nauw aansluiten op het gelaat.
1. Waaraan moet een ademhalingsbeschermingsprogramma voldoen?
"De Arbowet verplicht werkgevers het stappenplan van de arbeidshygiënische strategie te volgen. Persoonlijke beschermingsmiddelen zijn daarin het laatste redmiddel. In de NEN-EN 529:2005 staat waar een ademhalingsbeschermingsprogramma aan moet voldoen. Natuurlijk is het belangrijk om het juiste ABM te kiezen. Maar ook afstemming van middelen op de individuele kenmerken van medewerkers, zoals het doen van face-fittesten, voorlichting en instructie, opslag, reinigen en ontsmetten, onderhoud en evaluatie zijn belangrijke onderdelen van een ademhalingsbeschermingsprogramma."
2. Wat is het verschil tussen tight-en loose-fitting bescherming?


"Tight-fitting zijn ABM die nauw aansluiten op het gelaat. Er zijn drie vormen: FFP-maskers, halfgelaatsmaskers en volgelaatsmaskers. Loose-fitting middelen hebben geen strakke afdichting. Ze bestaan bijvoorbeeld uit een kap of helm die je over je hoofd trekt, met een gezichts- of nekmanchet die zorgt voor de afdichting. Daarnaast zit er een motorisch aangedreven filterunit (PAPR) bij die op je rug gaat en waarmee je lucht krijgt. Dit type geeft de hoogste mate van bescherming die met een filtersysteem te behalen is."
3. Wat is het doel van face-fittesten?
"Het is bij afhankelijke adembescherming belangrijk om zeker te weten dat er geen lekkage is. Bij lekkage is er namelijk blootstelling aan gevaarlijke stoffen mogelijk. De protectiefactor van het ABM is alleen betrouwbaar als die met een face-fittest is aangetoond. De werkgroep adembescherming van de NVvA adviseert om de face-fittest 1 keer per jaar uit te voeren op alle typen afhankelijke tight-fitting ABM. Onder bepaalde voorwaarden (zie pagina 61 van de NVvA-richtlijn) kan dit verlengd worden naar 1 keer per 2 of 3 jaar."
"Een meting met behulp van een face-fittest is alleen uitvoerbaar als de seal van het adembeschermende middel nauwsluitend is. Deze testen zijn er dan ook alleen voor tight-fitting ABM. Loose-fitting ABM kun en hoef je daarom niet te testen."
4. Welke baardgroei mag bij tight-fitting, welke bij loose-fitting?
"Bij de tight-fitting middelen is alleen een gladgeschoren gezicht of een kleine snor toegestaan. Uit onderzoek blijkt namelijk dat een baard voor lekkage van gevaarlijke stoffen kan zorgen. Daarbij kan een stoppelbaard van enkele dagen zelfs voor meer lekkage zorgen dan een volgroeide baard. Als een FFP-masker rust op de harde punten van een stoppelbaard, zit er relatief veel ruimte tussen masker en gelaat. Bij een volgroeide baard zal het masker het gezicht nog wel enigszins afsluiten."
"Maar nog steeds is het risico op lekkage groot bij een baard. Uit studies blijkt dat de bescherming van afhankelijke adembescherming kan afnemen met een factor 20 tot 1000 bij de aanwezigheid van gezichtsbeharing. In de NEN-EN-529 staat het advies om een baard niet langer dan 8 uur voorafgaand aan een (ploegen)dienst te scheren."
"Bij loose-fitting middelen gelden geen beperkingen voor baardgroei. Een werknemer kan bijvoorbeeld voor loose-fitting ABM kiezen als hij om religieuze redenen een baard wil dragen."
5. Hoe kies je de juiste adembescherming tegen gevaarlijke stoffen?
"Het uitgangspunt van beleid moet zoals eerder gezegd altijd de arbeidshygiënische strategie zijn. Daarmee is het streven om arbeidsomstandigheden zo te organiseren dat PBM-gebruik niet nodig is. Het is het 'laatste redmiddel'."
"De keuze van een ABM is niet alleen een kwestie van tight-fitting of loose-fitting. Op basis van een zorgvuldige risico-inventarisatie moet je het juiste middel bepalen. De NVvA-richtlijn adviseert om daarbij de gebruiker, de fysieke belasting en de pasvorm als uitgangspunten te nemen."
"Zo moet je bijvoorbeeld weten welke filters nodig zijn. Sommige middelen hebben een vast filter, andere een verwisselbaar filter. In hoofdstuk 5 van de NVvA-richtlijn staan handige tabellen over welk filter nodig is (zie ook tabel 1). Een filter met een witte kleurcodering is niet geschikt voor gebruik tegen gassen en dampen. Die filters verwijderen de stof grotendeels uit de lucht, maar laten nog deeltjes door. Een rode filter beschermt goed tegen kwikdamp, een bruine tegen organische gassen en dampen, een gele tegen zwaveldioxide en andere zure gassen en een groene tegen ammoniak en basische gassen."
"Ook de beschermingsfactor speelt natuurlijk mee bij de keuze. De mate van binnendringen van verontreinigingen in een ABM is geen vast gegeven. De constructie, het gebruikte filter, afstemming op de gebruiker (zoals maat en pasvorm) en het onderhoud zijn medebepalend. Maar de grootste doorslaggevende factor is de werknemer zelf. Want: hoe is de werknemer bijvoorbeeld getraind in het gebruik? Zet diegene het adembeschermende middel op het juiste moment op? Is sprake van goede reiniging, onderhoud en opslag? En leeft de gebruiker de regels voor basishygiëne na?"

6. Hoe zorg je dat medewerkers de adembescherming goed gebruiken?
"Geef medewerkers hun ABM letterlijk in handen en vraag ze om te laten zien hoe ze het normaal gesproken gebruiken. Als je iets jarenlang op een bepaalde manier opzet, wordt dat je routine. Terwijl het middel op een andere manier opzetten de bescherming misschien al een stuk kan vergroten. Dan is een ander ABM kiezen niet (meteen) nodig."
"Vraag ook wanneer medewerkers hun ABM opzetten. Doen ze dat pas als ze de stof ruiken? Dan is er misschien al blootstelling geweest, afhankelijk van de geurdrempel van de stof. Dus misschien moeten ze het middel al opzetten vóórdat ze naar een ruimte lopen."
"Denk daarnaast aan waar medewerkers hun ABM opbergen. Gebruiken zij het beschermingsmiddel helemaal correct, maar laten ze het tijdens hun pauze liggen in een ruimte waar collega’s gaan schuren? Dan komt er misschien een gevaarlijke stof aan de binnenkant van hun masker. Bij een volgend gebruik is dan sprake van directe blootstelling."
7. Hoe (vaak) geef je een goede training in ademhalingsbescherming?
"Een training in ademhalingsbescherming hoort hands on te zijn. Artikel 8 van de Arbowet verplicht werkgevers om hier adequate instructie voor te geven. Artikel 11 verplicht werknemers om die instructies zorgvuldig na te leven. In de NVvA-richtlijn over ademhalingsbescherming staan nog meer adviezen voor een goede training en instructie. Belangrijk daarbij is ook dat de bedrijfsleiding het goede voorbeeld geeft. Teamleiders horen te laten zien dat zij de bescherming tegen gevaarlijke stoffen serieus nemen."
"Hoe vaak je een training moet geven, zal de werkgever zelf moeten afwegen. Als medewerkers jarenlang 3 uur per dag en 4 dagen per week hetzelfde middel gebruiken, is een uitgebreide herhalingstraining misschien niet nodig. Verstandig is het vooral om het onderwerp gevaarlijke stoffen onderdeel te maken van de verplichte jaarlijkse scholingsmomenten. Ga langs bij meerdere werknemers en vraag wat ze gebruiken, hoe en wanneer. Dan kun je daar op sturen. Je hebt maar één leven en daar moet je zuinig op zijn."
8. Hoe ga je om met individuele verschillen en wensen bij het kiezen van ABM?
"Er is steeds meer maatwerk mogelijk. Dat komt deels door meer kennis over het thema en deels door krapte op de arbeidsmarkt. Als een werknemer vanwege zijn geloof bijvoorbeeld zijn baard wil laten staan, wordt daar steeds vaker een individuele oplossing voor gevonden. Soms hoeft diegene dan geen werkzaamheden te doen in een ruimte waar blootstelling aan gevaarlijke stoffen speelt. Of de werkgever schaft voor die specifieke medewerker een helm met motorunit aan."
"Bij de brandweer wordt altijd wel voor tight-fitting en gladgeschoren gekozen. Want hun uitrusting moet tegen klappen, stoten en steekvlammen kunnen."
Literatuur: NVvA-Richtlijn Ademhalingsbeschermingsmiddelen



















